Spring naar inhoud

Waarom twee artsen je tegengesteld advies kunnen geven over hormoontherapie

Kort samengevat

  • Zeven instanties schrijven richtlijnen over hormoontherapie bij de menopauze. Ze zijn het over minder eens dan je zou verwachten.
  • Een review uit 2024 beoordeelde negen richtlijnen over menopauzale hormoontherapie. Van de meer dan 300 aanbevelingen kwamen er maar 17 consistent terug in minstens twee ervan. [8]
  • Het duidelijkste voorbeeld is hoelang je de behandeling mag volhouden. De Nederlandse richtlijnen zeggen: streef naar minder dan vijf jaar. [5][6] De International Menopause Society ziet geen enkele reden om een limiet te stellen. [7] NICE noemt helemaal geen duur. [1]
  • Binnen België zeggen twee bronnen dat er geen vaste limiet is [2][3], en een derde dat het nooit aangewezen is om de behandeling voort te zetten na 65 jaar. [4]
  • Ze zijn het ook oneens over de vraag of hormoontherapie helpt tegen brain fog, en over de vraag of het type progestageen je risico verandert.
  • Dat betekent niet dat je arts het fout heeft. Het betekent dat het bewijs echt ruimte laat voor een afweging, en dat je het recht hebt om de redenering achter het advies te horen.

Twee artsen, twee antwoorden

Je neemt al vier jaar hormoontherapie. Je klachten zijn onder controle. Je vraagt of je ermee mag doorgaan.

Werkt je arts met de NHG-Standaard, de Nederlandse richtlijn voor huisartsen, dan hoor je dat het streven is om onder de vijf jaar te blijven, omdat de risico's geleidelijk oplopen. [5]

Werkt je arts met de aanbevelingen die de International Menopause Society in 2026 publiceerde, dan hoor je dat er geen reden is om de duur te beperken, en dat de echte vraag is of de behandeling nog doet waarvoor je eraan begon. [7]

Beide antwoorden zijn verdedigbaar. Ze staan allebei zwart op wit in actuele richtlijnen. Geen van beide artsen loopt achter.

Het gaat hier niet om twee uitzonderlijke artsen. In 2024 beoordeelde een onderzoeksteam negen richtlijnen over menopauzale hormoontherapie met een standaard kwaliteitsinstrument. Ze haalden er meer dan 300 aanbevelingen uit. Slechts 17 daarvan kwamen consistent terug in minstens twee richtlijnen. [8]

Een raster van ongeveer 300 stippen, één per aanbeveling, waarvan er 17 oranje zijn. Een review uit 2024 van negen richtlijnen over menopauzale hormoontherapie vond dat maar 17 van de meer dan 300 aanbevelingen consistent terugkwamen in minstens twee ervan.
Maar 17 van de meer dan 300 aanbevelingen kwamen consistent terug in minstens twee richtlijnen. De negen beoordeelde richtlijnen zijn niet de zeven die hier vergeleken worden (Roman e.a., 2024).

Wat de figuur toont

  • Review: negen richtlijnen over menopauzale hormoontherapie, beoordeeld met AGREE II (Roman e.a., 2024)
  • Meer dan 300 aanbevelingen verzameld
  • 17 kwamen consistent terug in minstens twee richtlijnen
  • De negen beoordeelde richtlijnen zijn niet de zeven die dit artikel vergelijkt

Deze pagina zet op een rij waar de belangrijkste richtlijnen verschillen, en waarom. Ze is geschreven voor vrouwen die hun eigen zorg willen begrijpen. Ze is ook zo geschreven dat je ziet waar je arts naar kijkt, want het is hetzelfde probleem, alleen bekeken vanaf de andere kant van het bureau.

Wie zijn die zeven?

  • NICE (Verenigd Koninkrijk). Wordt overal aangehaald, ook in België en Nederland. [1]
  • BMS, de Belgian Menopause Society. De Belgische vereniging van specialisten. [2]
  • RIZIV. De Belgische nationale consensus, in 2024 opgesteld door een jury. [3]
  • BCFI. Het onafhankelijke Belgische geneesmiddelenbulletin, dat de meeste Belgische huisartsen lezen. [4]
  • NHG. De NHG-Standaard voor huisartsen: daar werkt een Nederlandse huisarts mee. [5]
  • NVOG en de Dutch Menopause Society. De Nederlandse richtlijnen voor specialisten. [6]
  • IMS, de International Menopause Society. In 2026 voor het eerst in tien jaar herschreven. [7]

Eerst even de woorden

Drie termen komen steeds terug. Het helpt om ze in gewone taal te kennen.

Oestrogeen is het hormoon dat daalt tijdens de menopauze en de meeste klachten veroorzaakt. Progestageen is een tweede hormoon dat je erbij krijgt als je nog een baarmoeder hebt, om het baarmoederslijmvlies te beschermen. Bijna elk meningsverschil hieronder draait om een van die twee: welke vorm, welke toedieningsweg, hoelang.

Transdermaal betekent via de huid, als pleister, gel of spray, in plaats van ingeslikt als tablet. Dat blijkt meer uit te maken dan je zou denken.

Bio-identiek betekent een hormoon met dezelfde moleculaire structuur als het hormoon dat je lichaam zelf maakt, geproduceerd volgens farmaceutische normen en geregistreerd als geneesmiddel. Dat is niet hetzelfde als op maat bereide bio-identieke hormonen: die worden op bestelling gemengd door de apotheek (een magistrale bereiding), vaak verkocht als natuurlijker, en ze zijn niet geregistreerd en niet op kwaliteit gecontroleerd. Daarover zijn de richtlijnen het volledig eens. NICE zegt duidelijk dat de werkzaamheid en veiligheid van niet-gereguleerde hormoonpreparaten onbekend zijn. [1] Waar dit artikel bio-identiek zegt, bedoelt het de geregistreerde soort.


De vragen die we het vaakst krijgen

Volgen alle artsen dezelfde menopauzerichtlijn? Dat lijkt logisch, maar het klopt niet. Een Belgische huisarts werkt meestal met het BCFI en de RIZIV-consensus. Een Nederlandse huisarts werkt met de NHG-Standaard. Specialisten in beide landen werken met de richtlijnen van hun menopauzevereniging. En elk van hen kan ook NICE of de International Menopause Society erbij nemen.

Zijn de richtlijnen dan onbetrouwbaar? Als je dit net ontdekt, is dat verontrustend. Het eerlijke antwoord is geruststellender dan het op het eerste gezicht klinkt. Waar er goede gegevens uit studies zijn, liggen de richtlijnen dicht bij elkaar. Waar de gegevens dun zijn, lopen ze uiteen, omdat elke instantie moet beslissen hoe voorzichtig ze met onzekerheid omgaat. Dat is een afweging, en redelijke mensen maken die verschillend.

Hoe groot kunnen de verschillen in advies echt zijn? Bij sommige vragen groot genoeg om te veranderen wat er met jou gebeurt. Over de behandelduur zeggen twee Belgische bronnen dat er geen vaste limiet is, en een derde zegt: nooit na 65.

Wat moet ik hier nu mee? Niemand verwacht dat jij scheidsrechter speelt tussen richtlijncommissies. Wat je hier wel aan hebt, is één nuttige vraag: met welke richtlijn werkt mijn arts, en waarom met die? Een arts die daarop kan antwoorden, geeft je een doordacht standpunt en geen standaardantwoord.


Waar echt overeenstemming over is

Onenigheid tussen richtlijnen leest spannender dan overeenstemming, dus het is goed om precies te zijn over hoeveel gemeenschappelijke grond er echt is. Over twee dingen zijn alle zeven het eens.

Hormoontherapie werkt tegen opvliegers en nachtzweten. Geen van de zeven betwist dat. Ze formuleren het wel met verschillende stelligheid: NICE zegt het aan te bieden [1], de International Menopause Society en drie andere noemen het de meest effectieve behandeling die er is [2][3][4][7], en de NHG-Standaard zegt het te overwegen en becijfert het effect op ongeveer acht opvliegers minder per dag, tegenover vijf minder met placebo. [5] De richting is overal dezelfde.

Boven de 45 heb je geen bloedtest nodig om de menopauze vast te stellen. Zes van de zeven zeggen dat rechtstreeks, en de zevende gaat helemaal niet in op de diagnose. [1][3][5][6][7] De Belgian Menopause Society koppelt haar versie aan twaalf maanden zonder menstruatie, en niet aan klachten alleen. [2]

Daarbuiten is de overeenstemming gedeeltelijk. De meeste instanties geven de voorkeur aan oestrogeen via de huid wanneer het risico op trombose verhoogd is, maar de NHG-Standaard spreekt geen voorkeur uit, omdat ze het bewijs te zwak vindt. [5] De meeste zeggen dat lokaal vaginaal oestrogeen anders bekeken wordt dan een behandeling die in je hele lichaam werkt, maar ook hier behandelt de NHG-Standaard de voorzorgen als dezelfde. [3][5] Zelfs het aantal dagen per maand dat je een progestageen nodig hebt, ligt niet vast. Het zijn er twaalf in de Belgische en Nederlandse specialistische richtlijnen [3][4][6], veertien in de NHG-Standaard [5], tien of twaalf afhankelijk van het progestageen in de internationale aanbevelingen [7], en NICE en de Belgian Menopause Society noemen geen aantal.

Dat laatste is een klein detail met een grote les. Als zeven deskundige instanties het niet eens raken over hoeveel dagen per maand je een tablet moet nemen, hoeven de verschillen die volgen je niet te verbazen.


Waar de richtlijnen verschillen

Hoelang mag je hormoontherapie nemen?

Deze vraag reikt het verst, want ze gaat iedereen aan die het nu al goed doet op de behandeling.

De NHG-Standaard zegt het duidelijk: streef naar gebruik korter dan vijf jaar, vanwege de geleidelijk oplopende risico's. [5] De NVOG en de Dutch Menopause Society komen op hetzelfde uit: zo kort als mogelijk, bij voorkeur minder dan vijf jaar. [6]

NICE pakt het anders aan en zegt dat ook. NICE stelt dat het onmogelijk is om één specifieke duur aan te bevelen, omdat die van te veel factoren afhangt. [1] Geen getal noemen is niet hetzelfde als zeggen dat er geen limiet geldt, en NICE benadrukt dat de duur bij elke controle opnieuw besproken wordt.

De International Menopause Society is directer: "Er zijn geen redenen om de duur van menopauzale hormoontherapie verplicht te beperken." (vrije vertaling) [7]

België verdedigt beide standpunten tegelijk, met twee tegen één. De Belgian Menopause Society schrijft dat er geen arbitraire limiet is voor de duur van de behandeling. [2] De jury van de RIZIV-consensus is het daarmee eens: er is geen wetenschappelijk bewijs dat de behandeling op een gegeven moment moet worden stopgezet, noch na een welbepaalde behandelingsduur, noch vanaf een bepaalde leeftijd. [3] Het BCFI, het onafhankelijke Belgische geneesmiddelenbulletin, is het met allebei oneens: "Het is nooit aangewezen om de behandeling voort te zetten na de leeftijd van 65 jaar." [4]

Een lijn van strenger naar minder streng met vier standpunten over hoelang je hormoontherapie mag nemen. Het BCFI (België) zegt dat het nooit aangewezen is om voort te zetten na 65. NHG en NVOG/DMS (Nederland) streven naar minder dan vijf jaar. NICE (VK) noemt geen duur. BMS en RIZIV (België) en IMS (internationaal) stellen geen vaste limiet.
Hoelang je hormoontherapie mag nemen, volgens zeven instanties. Twee Belgische bronnen verwerpen een vaste limiet; de derde zegt: nooit voortzetten na 65.

Wat de figuur toont

  • Strenger → Minder streng
  • Nooit voortzetten na 65: BCFI (BE · geneesmiddelenbulletin)
  • Streven naar minder dan vijf jaar: NHG (NL · huisartsen), NVOG/DMS (NL · specialisten)
  • Noemt geen duur: NICE (VK)
  • Geen vaste limiet: BMS (BE · specialistenvereniging), RIZIV (BE · nationale consensus), IMS (Internationaal)
  • RIZIV: de jury vindt geen bewijs dat de behandeling ooit moet stoppen; elders in het rapport wordt de duur per geval bepaald en stellen sommige experten minder dan vijf jaar voor.

Kreeg je te horen dat je na vijf jaar moet stoppen? Dan is dat een echt standpunt uit echte richtlijnen, maar het is niet het enige. De nuttige vraag is of die vijf jaar een regel is die je arts toepast, of een moment waarop je arts samen met jou opnieuw wil bekijken hoe het gaat. Dat zijn twee verschillende gesprekken, en het tweede is wat de meeste richtlijnen eigenlijk beschrijven.

Helpt het tegen brain fog?

Halverwege een zin je woorden kwijtraken is een van de beangstigendste kanten van de perimenopauze. En net daar zijn de richtlijnen het minst bruikbaar, om een reden die je best begrijpt.

Drie van de zeven gaan rechtstreeks in op brain fog, en ze zijn het niet eens.

Het BCFI plaatst het bij de andere psychologische en cognitieve klachten van de perimenopauze: stemmingsstoornissen, verstoorde slaap, concentratie- en geheugenproblemen, en een gevoel van "hersenmist". Zijn conclusie: het bewijs voor de werkzaamheid van hormoontherapie bij deze klachten is op dit moment beperkt. [4]

De RIZIV-consensus noemt brain fog bij de complexere klachten van de menopauze, naast stemming, slaapproblemen en een gestoorde seksuele functie. Volgens het RIZIV zijn die klachten minder goed bestudeerd, en lijkt hormoontherapie er minder of zelfs geen effect op te hebben. Over stemming in het bijzonder zegt het RIZIV dat oestrogenen een gunstig effect zouden kunnen hebben op symptomen van depressie, maar dat hormoontherapie toch niet aangeraden wordt bij stemmingsklachten. [3]

De Belgian Menopause Society noemt brain fog ook, en in een kader in haar richtlijnen van 2026 raadt ze er hormoontherapie voor aan. In de lopende tekst van hetzelfde document staat dat hormoontherapie ook mentale en cognitieve klachten verbetert, brain fog inbegrepen, maar dat die klachten momenteel geen reden zijn om met de behandeling te starten en geen officiële indicatie vormen. [2] Binnen dezelfde organisatie worden verschillende standpunten ingenomen.

De andere vier beantwoorden een verwante vraag, of zeggen er niets over. NICE en de NVOG en de Dutch Menopause Society gaan niet in op brain fog. De uitspraak van de International Menopause Society, met haar hoogste bewijsgraad, gaat over cognitieve achteruitgang: de kant van dementie, en niet de voorbijgaande mist van de perimenopauze. [7] De NHG-Standaard gaat over stemming: hormoontherapie beïnvloedt de stemming waarschijnlijk niet of nauwelijks. [5] Dat zijn echte bevindingen over echte vragen. Geen van beide is een bevinding over brain fog.

Het beeld is dus smaller dan het eerst lijkt. Drie Belgische bronnen bekijken brain fog rechtstreeks. Twee zijn voorzichtig over hormoontherapie ervoor, en de derde raadt het aan in een kader, terwijl de lopende tekst er geen indicatie van maakt. Alle andere hebben het over iets wat ernaast ligt.

Dat maakt de klacht niet ingebeeld. Ze is echt, ze wordt erkend, en ze komt vaak voor. Het betekent wel dat de onderbouwing hier dunner is dan bij opvliegers, en dat een arts die dat zegt, accuraat is en je niet afwimpelt. Op onze pagina over brain fog lees je meer over hoe deze klachten eruitzien.

Wat zijn de cijfers?

De meeste richtlijnen beschrijven het risico op borstkanker in woorden, niet in cijfers. NICE geeft in de richtlijn zelf geen absolute cijfers en verwijst artsen naar een apart gesprekshulpmiddel. [1] De International Menopause Society geeft er geen voor borstkanker. [7] De Belgian Menopause Society geeft er geen. [2]

Twee bronnen publiceren wel cijfers, en die lees je best rustig, want ze meten niet hetzelfde.

De RIZIV-consensus spreekt van vier extra gevallen per 1.000 vrouwen na vijf jaar behandeling. Het RIZIV voegt er zelf een vergelijking aan toe: dat is minder dan het verhoogde risico door het roken van tien sigaretten per dag, door alcohol of door obesitas. [3]

De NHG-Standaard rekent over drie jaar. Tegenover een achtergrond van negen borstkankers per 1.000 vrouwen van 45 tot 64 jaar geeft ze oestrogeen alleen een relatief risico van 1,2, oestrogeen met dydrogesteron 1,0, en oestrogeen met progesteron 0,9. [5]

Een relatief risico van 1,0 betekent geen verandering ten opzichte van het achtergrondrisico. 1,2 betekent een vijfde hoger, wat bij negen gevallen per 1.000 neerkomt op ongeveer twee extra.

Die twee reeksen cijfers kan je niet naast elkaar leggen. Een andere tijdshorizon, andere combinaties van hormonen, andere uitgangspopulaties. Samen tonen ze wel dat de cijfers klein zijn, en dat ze afhangen van wat je neemt en hoelang.

Bekijk de Nederlandse cijfers nog eens en er valt één patroon op. De twee schema's zonder toename gebruiken allebei een progestageen dat bio-identiek is of daar dicht bij komt. Dat onderscheid tussen bio-identieke en synthetische hormonen doet meer werk dan bijna al het andere op deze pagina, en het is het onderwerp van het volgende deel.

Een raster van 1.000 stippen, elk een vrouw van 45 tot 64 jaar die drie jaar gevolgd wordt. Negen donkere stippen zijn de borstkankers die je zonder hormoontherapie verwacht, twee oranje stippen de extra gevallen met oestrogeen alleen. Daaronder vier vakken: geen hormoontherapie 9 per 1.000; oestrogeen alleen 11 (relatief risico 1,2); oestrogeen met dydrogesteron 9 (relatief risico 1,0); oestrogeen met progesteron 8 (relatief risico 0,9, bereik 0,7 tot 1,2, dat over 1,0 loopt en dus geen echte daling toont).
Borstkanker over drie jaar per 1.000 vrouwen van 45 tot 64, per schema. NHG-cijfers; niet te vergelijken met het RIZIV-cijfer over vijf jaar.

Wat de figuur toont

  • Geen hormoontherapie: 9 per 1.000 over drie jaar (achtergrondrisico)
  • Oestrogeen alleen: 11 per 1.000 over drie jaar (relatief risico 1,2 (1,1 tot 1,3))
  • Oestrogeen met dydrogesteron: 9 per 1.000 over drie jaar (relatief risico 1,0 (0,9 tot 1,1))
  • Oestrogeen met progesteron: 8 per 1.000 over drie jaar (relatief risico 0,9 (0,7 tot 1,2))
  • Het bereik bij progesteron (0,7 tot 1,2) loopt over 1,0 en toont dus geen echte daling van het risico
  • De NHG-cijfers gaan over drie jaar; de vier extra gevallen per 1.000 van het RIZIV gaan over vijf jaar en zijn niet te vergelijken
  • Bron: NHG-Standaard De overgang (M73), 2022, tabel 2.

Maakt het type progestageen uit?

Neem je oestrogeen en heb je nog een baarmoeder, dan neem je ook een progestageen. Daar bestaan verschillende soorten van, en de richtlijnen zijn het oneens over de vraag of die keuze je risico verandert.

Twee ervan zijn bio-identiek of komen daar dicht bij: gemicroniseerd progesteron en dydrogesteron. De andere zijn synthetisch.

De International Menopause Society stelt dat het risico op borstkanker lager lijkt met gemicroniseerd progesteron of dydrogesteron dan met een synthetisch progestageen, en nuanceert dat meteen in de volgende regel: er zijn niet genoeg gegevens om de verschillen volledig te beoordelen. [7] De Belgian Menopause Society en de RIZIV-consensus geven allebei de voorkeur aan dezelfde twee moleculen. [2][3] De Nederlandse richtlijnen ook, en de NHG-Standaard zet dydrogesteron op de eerste plaats. [5][6]

NICE onderzocht dezelfde vraag en sprak zich niet uit. NICE stelt dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen of het risico verschilt, en formuleert in plaats daarvan een aanbeveling voor verder onderzoek. [1] Het BCFI komt tot de conclusie van NICE, en niet tot die van de Belgische consensusjury: er zijn onvoldoende gegevens om te bevestigen dat bepaalde types oestrogenen of progestagenen veiliger zijn. [4]

In de praktijk maakt dit minder uit dan het klinkt, want elke instantie die een voorkeur uitspreekt, noemt dezelfde twee moleculen. Wat verschilt, is hoe stellig die voorkeur wordt uitgesproken.

Een tabel die zeven instanties vergelijkt op vijf vragen: duur van de behandeling, type progestageen, cognitieve klachten, testen boven 45 en toediening van oestrogeen. De volledige inhoud staat in de legende.
Waar zeven instanties staan op vijf vragen. NICE en NVOG/DMS zeggen niets over cognitieve klachten.

Wat de figuur toont

  • NICE (VK · 2015, bijgewerkt 2026)
  • – Duur: Noemt geen duur. Onmogelijk om één specifieke duur aan te bevelen
  • – Type progestageen: Geen voorkeur. Onvoldoende bewijs; verder onderzoek aanbevolen
  • – Cognitieve klachten: Komt niet aan bod
  • – Testen boven 45: Niet nodig. Vaststellen zonder labotests vanaf 45
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Bij verhoogd tromboserisico, ook bij een BMI boven 30
  • BMS (BE · vereniging · 2026)
  • – Duur: Geen limiet. “Geen arbitraire limiet qua duur”
  • – Type progestageen: Progesteron of dydrogesteron. Met transdermaal of laaggedoseerd oraal oestrogeen
  • – Cognitieve klachten: Twee standpunten. Aanbevolen in een kader; lopende tekst: verbetert deze klachten, maar geen officiële indicatie
  • – Testen boven 45: Niet nodig. Geen systematische FSH boven 45 na een jaar zonder menstruatie
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Lager risico op trombose en beroerte
  • RIZIV (BE · nationale consensus · 2024)
  • – Duur: Geen limiet. Geen bewijs dat de behandeling ooit moet stoppen
  • – Type progestageen: Dydrogesteron, dan progesteron. Eerste en tweede keus
  • – Cognitieve klachten: Voorzichtig. Brain fog minder goed bestudeerd; minder of zelfs geen effect. Afgeraden bij stemmingsklachten, al kunnen oestrogenen depressieve symptomen helpen
  • – Testen boven 45: Niet nodig. FSH en oestradiol enkel testen onder 45
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Zwakke aanbeveling, expertadvies
  • BCFI (BE · bulletin · 2025)
  • – Duur: Nooit na 65. “Nooit aangewezen om de behandeling voort te zetten na de leeftijd van 65 jaar”
  • – Type progestageen: Geen voorkeur. Onvoldoende gegevens dat een type veiliger is
  • – Cognitieve klachten: Bewijs beperkt. Bewijs voor hormoontherapie bij deze klachten momenteel beperkt
  • – Testen boven 45: Komt niet aan bod. Gaat over menopauze op de gebruikelijke leeftijd (vanaf 45)
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Verdient de voorkeur tegen trombose en beroerte
  • NHG (NL · huisartsen · 2022)
  • – Duur: Minder dan vijf jaar. “Streef naar gebruik < 5 jaar”
  • – Type progestageen: Dydrogesteron, dan progesteron. Minste ernstige bijwerkingen; progesteron kost ook meer
  • – Cognitieve klachten: Stemming: niet of nauwelijks. Waarschijnlijk niet of nauwelijks effect op de stemming
  • – Testen boven 45: Niet nodig. Bepaling van FSH, LH en oestradiol niet aanbevolen
  • – Toediening oestrogeen: Samen kiezen. Mogelijk lager tromboserisico; robuust bewijs ontbreekt
  • NVOG/DMS (NL · specialisten · 2025)
  • – Duur: Minder dan vijf jaar. “Zo kort als mogelijk is bij voorkeur <5 jaar”
  • – Type progestageen: Progesteron of dydrogesteron. Gelijke voorkeur, om het bijwerkingenprofiel
  • – Cognitieve klachten: Komt niet aan bod
  • – Testen boven 45: Alleen bij uitzondering. Onvoldoende effect van HST, of vrouwen onder 40
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Bij verhoogd tromboserisico, leverproblemen, epilepsie of schildklierziekte
  • IMS (Internationaal · 2026)
  • – Duur: Geen limiet. Geen redenen om de duur verplicht te beperken
  • – Type progestageen: Progesteron of dydrogesteron. Risico lijkt lager; daarna: te weinig gegevens om het volledig te beoordelen
  • – Cognitieve klachten: Niet aanbevolen. Voor cognitieve achteruitgang (dementie), op elke leeftijd, behalve bij vroege menopauze of POI. Hoogste graad
  • – Testen boven 45: Klinische diagnose. Bloedtests alleen ondersteunend
  • – Toediening oestrogeen: Transdermaal. Oraal afgeraden bij verhoogd tromboserisico
  • Zwijgen is niet hetzelfde als akkoord gaan. NICE en NVOG/DMS zeggen niets over cognitieve klachten. De uitspraak van IMS gaat over cognitieve achteruitgang (dementie), niet over brain fog.

Wat er in november 2025 veranderde, en hoe het in het nieuws kwam

In november 2025 haalde de Amerikaanse regelgever de waarschuwing in een zwart kader (de "boxed warning") van de etiketten van hormoontherapie, de waarschuwing die ze in verband bracht met hart- en vaatrisico's, borstkanker en dementie. [9] De primaire bron voor die beslissing is een opiniestuk in JAMA, geschreven door de leiding van de regelgever zelf, en geen systematische review van het bewijs. De Belgian Menopause Society zet dit uiteen in de inleiding van haar richtlijnen van 2026. [2] Ook de International Menopause Society vermeldt het. [7]

De Belgian Menopause Society beschrijft de redenering van de regelgever als een opeenstapeling van wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat de baten-risicoverhouding over het algemeen gunstig is bij vrouwen jonger dan 60 of binnen tien jaar na het begin van de menopauze, met name voor opvliegers en nachtzweten en ter preventie van botverlies. [2]

Twee dingen zijn het vermelden waard, omdat het verhaal vaak te simpel werd gebracht.

De International Menopause Society beschrijft de wijziging als het schrappen van de waarschuwing in een zwart kader ten voordele van genuanceerdere etikettering, afgestemd op de vorm en de indicaties van elk product. Ze waarschuwt ook dat de aankondiging te ruim werd gelezen. Sommige online pleitbezorgers brachten ze als een onvoorwaardelijke overwinning, terwijl experts in vrouwengezondheid wezen op hiaten in het bewijs en op een gebrek aan afstemming met medische richtlijnen, in de aankondiging en in de berichtgeving die volgde. [7]

En de voorzichtige bronnen konden er geen rekening mee houden. Het BCFI verscheen in januari 2025 en de NHG-Standaard in 2022. [4][5] Hun voorzichtigheid is geen reactie op de etiketwijziging, want ze dateert van daarvoor.

Een tijdlijn van wanneer elke richtlijn verscheen. De NHG-Standaard (juni 2022), de RIZIV-consensus (mei 2024), de evidence-update van NICE NG23 (november 2024, sindsdien aangepast, laatst in april 2026), BCFI Folia (januari 2025) en de handleiding van NVOG/DMS (2025) zijn allemaal geschreven vóór de FDA in november 2025 de boxed warning schrapte. De richtlijnen van de BMS (januari 2026) en de aanbevelingen van de IMS (2026) konden er rekening mee houden.
Wanneer elke richtlijn verscheen, ten opzichte van de etiketwijziging van de FDA in november 2025.

Wat de figuur toont

  • Juni 2022: NHG-Standaard De overgang. Nederlandse huisartsenrichtlijn, versie 3.0
  • Mei 2024: RIZIV-consensus. Belgisch juryrapport, 30 mei 2024
  • Nov. 2024: NICE NG23, evidence-update. Sindsdien aangepast, laatst in april 2026
  • Jan. 2025: BCFI Folia. Onafhankelijk Belgisch geneesmiddelenbulletin
  • 2025: Handleiding NVOG/DMS. Nederlandse praktische handleiding voor specialisten
  • Nov. 2025: FDA schrapt de boxed warning. Amerikaanse etiketwijziging voor hormoontherapie
  • Jan. 2026: Richtlijnen BMS. Openen met de etiketwijziging
  • 2026: Aanbevelingen IMS. Eerste volledige herziening sinds 2016

Dit blijft belangrijk, om een specifieke reden. Veel van de angst die vrouwen voor hormoontherapie hebben, gaat terug op één studie die in 2002 naar buiten kwam, en op de waarschuwingen die volgden. Die waarschuwingen kleurden een generatie gesprekken in de spreekkamer. Het etiket is nu veranderd, en die verandering is echt, ook al klonk veel van de berichtgeving zekerder dan het bewijs erachter.


Lees je dit als arts?

De korte versie. De duur is het scherpste verschil: NHG en NVOG mikken allebei op minder dan vijf jaar [5][6], BMS en de RIZIV-jury verwerpen een vaste limiet [2][3], het BCFI stopt bij 65 [4], IMS verwerpt verplichte limieten [7] en NICE noemt er geen [1]. De voorkeur voor een progestageen splitst langs dezelfde lijn: iedereen behalve NICE en het BCFI spreekt er een uit. Over cognitieve achteruitgang, een andere vraag dan brain fog, bevat IMS de stelligste uitspraak van de hele reeks, met de hoogste bewijsgraad: behalve bij premature ovariële insufficiëntie of een vroege menopauze wordt hormoontherapie op geen enkele leeftijd aanbevolen om cognitieve achteruitgang te voorkomen of te behandelen. [7]

Elke bewering op deze pagina verwijst naar een genummerde richtlijn hieronder. De citaten komen letterlijk uit de gepubliceerde documenten en niet uit samenvattingen; het citaat van de IMS is een vrije vertaling uit het Engels.


Welke arts had dan gelijk?

Geen van beiden had het fout. Dat is een minder bevredigend antwoord, maar wel een nuttiger.

De ene werkte met een richtlijn die vijf jaar ziet als het moment om de balans opnieuw te bekijken. De andere werkte met een richtlijn die de duur als een open vraag ziet, te beantwoorden aan de hand van hoe het echt met je gaat. Allebei lazen ze echt bewijs. Ze wogen de onzekerheid anders af, omdat het bewijs daar ruimte voor laat.

Als je dat weet, verandert wat je kan vragen. Niet per se een tweede mening, wel de redenering achter de eerste.

Vier vragen zijn het waard om mee te nemen naar je volgende afspraak.

Op welke richtlijn is dit advies gebaseerd, en waarom op die?

Als er een tijdslimiet op mijn behandeling staat: waar komt die vandaan?

Waar dit afwijkt van andere richtlijnen: wat geeft de doorslag om toch voor dit standpunt te kiezen?

En wat verandert er als ik alleen bio-identieke hormonen neem, met het oestrogeen via de huid in plaats van ingeslikt?

Een arts die deze vragen verwelkomt, heeft over de antwoorden nagedacht.

Ben je nog niet zeker of wat je ervaart perimenopauze is? De symptoomcheck duurt een paar minuten en geeft je iets concreets om mee te nemen naar dat gesprek.

Spreek je liever iemand die hier elke dag mee bezig is? Dan kan je een online consult boeken met een zorgverlener op Uma. Het zijn onafhankelijke artsen en specialisten die via het Uma-platform consulten geven, zonder in dienst te zijn van Uma, en ze werken met patiënten in België en Nederland. Hun weg vinden in precies de verschillen die op deze pagina staan, hoort bij hun gewone werkweek.


De inhoud van deze pagina is bedoeld als informatie en vervangt geen medisch advies. Raadpleeg een arts voor een persoonlijke beoordeling.


Bronnen

  1. National Institute for Health and Care Excellence (2015, bijgewerkt in 2026). Menopause: identification and management. NICE guideline NG23. https://www.nice.org.uk/guidance/ng23
  2. Rozenberg, S. (2026). Belgian Menopause Society: Praktische richtlijnen voor de aanpak van de menopauze. Belgian Menopause Society. Uitgegeven door Gedeon Richter Benelux als verantwoordelijke uitgever. https://www.menopausesociety.be/nieuwsbericht/guidelines-menopause-bms/
  3. RIZIV-INAMI (2024). Consensusvergadering: Aanpak van menopauze, juryrapport, 30 mei 2024. https://www.riziv.fgov.be/SiteCollectionDocuments/consensus_lange_tekst_20240530.pdf
  4. Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (2025). Hormoontherapie tijdens de (peri)menopauze: voor- en nadelen. Folia Pharmacotherapeutica, januari 2025. https://www.bcfi.be/nl/hormoontherapie-tijdens-de-perimenopauze-voor-en-nadelen/
  5. Nederlands Huisartsen Genootschap (2022). NHG-Standaard De overgang (M73), versie 3.0. https://richtlijnen.nhg.org
  6. NVOG en Dutch Menopause Society (2025). Praktische handleiding hormoonsuppletietherapie (HST) en geregistreerde niet hormonale farmacotherapie. https://richtlijnendatabase.nl
  7. International Menopause Society (2026). IMS Recommendations and Key Messages on Women's Midlife Health and Menopause. https://www.imsociety.org
  8. Roman, M.P., Ciortea, R., Doumouchtsis, S.K., et al. (2024). A quality assessment and systematic review of clinical practice guidelines on hormone replacement therapy for menopause using the AGREE II instrument. European Journal of Obstetrics and Gynecology and Reproductive Biology, 303, 294–301. doi:10.1016/j.ejogrb.2024.10.046
  9. Makary, M.A., Nguyen, C.P., Høeg, T.B., Tidmarsh, G.F. (2025). Updated Labeling for Menopausal Hormone Therapy. JAMA, online gepubliceerd op 10 november 2025.

Herken je jezelf hierin?

Bespreek het met een zorgverlener op Uma die dagelijks met (peri)menopauze werkt. Je vertrekt met een duidelijke uitleg en concrete volgende stappen. Geen account nodig · boeken duurt minder dan 2 minuten.

Blijf steeds als eerste op de hoogte

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief zodat we jou op de hoogte kunnen houden.

Door je aan te melden ga je akkoord met onze Algemene voorwaarden en Privacybeleid.